dinsdag 5 februari 2008

over een project omtrent wetenschapspopularisering

Opiniestuk gepubliceerd in De Standaard, 5 februari 2008

Theoloog Johan Temmerman maakt in zijn bijdrage enkele merkwaardige gedachtesprongen (‘De ware toedracht van het leven’, DS, 1/2/2008). Zijn stuk wil een reactie zijn op een project dat ik recent opstartte omtrent wetenschapscommunicatie, in het bijzonder betreffende de evolutietheorie. Temmerman noemt het project - nogal tendentieus - “lucratief”. Voor de duidelijkheid: met het grootste deel van het bedrag dat de Universiteit Gent voor dit project vrijmaakt kan één wetenschappelijk onderzoeker (en dan nog zonder ‘anciënniteit’) vier jaar aan de slag. Met wat overschiet willen we een website ontwikkelen, studiedagen organiseren, brochures publiceren en dergelijke meer. Louter financieel bekeken is dit dus een bescheiden project.
De evolutietheorie is één van de beste wetenschappelijke theorieën die we hebben. Ze verklaart ondermeer de ontwikkeling en de samenhang van het leven, het ontstaan van soorten en adaptaties, en de aanwezigheid van fossielen. Er bestaat overweldigend veel bewijsmateriaal voor. Vele tienduizenden wetenschappers, in de taxonomie, de genetica, de geneeskunde, de embryologie, de psychologie, de neurowetenschappen en in vele andere disciplines, werken er dagelijks mee om de natuur steeds beter te begrijpen. De theorie is in de loop van bijna honderdvijftig jaar uiteraard ook zelf geëvolueerd. Ze bestaat momenteel uit meerdere subtheorieën, waaruit men diverse hypothesen afleidt, die dan weer aanleiding geven tot nieuwe waarnemingen en zeer uiteenlopend experimenteel onderzoek. Wie vertrouwd is met de theorie kent de finesses, de rijkdom, de elegantie en de verklarende en esthetische kracht ervan. Daarnaast stelt men evenwel vast dat zeer veel mensen het abc van de theorie niet kennen, verkeerd begrijpen, er vooroordelen over koesteren of er foute conclusies uit afleiden. Dat is erg jammer, om meerdere redenen. Niet alleen mist men op die manier de kennis en informatie die de evolutietheorie met zich meebrengt, maar bovendien krijgt men, meer algemeen, een fout beeld van waarover het gaat, en misschien vooral niet gaat, in de wetenschap.
Ons project wil de kennis van het brede publiek over evolutietheorie verbeteren. Uiteraard hopen we hierdoor ook de vele misverstanden en vooroordelen te verhelpen omtrent Darwin en de moderne evolutiebiologie. Uit reacties zoals die van Johan Temmerman blijkt meteen ook de nood hieraan. Hij vindt het beter toegankelijk maken van evolutietheorie “arrogant” en “onrechtvaardig”. Ik vind dit tamelijk onthutsend. Zijn al die leerkrachten die hun best doen om hun leerlingen de beginselen van de moderne wetenschap bij te brengen dan ook “arrogant”? Is de openbare omroep “arrogant” telkens als er een wetenschapspopulariserend programma uitgezonden wordt? Zijn de kranten die wetenschapsbijlagen hebben “arrogant” of “onrechtvaardig”? Temmerman merkt op dat ik blijkbaar van mening ben dat jongeren die met de islam zijn opgevoed “door hun ouders en vorige generaties verkeerd zijn ingelicht”. Welnu, als het merendeel van die jongeren letterlijk denkt dat mensen van Adam & Eva afstammen, dan zijn ze inderdaad verkeerd ingelicht, en nog geen klein beetje ook. Ik wil beleefd aan mensen als Johan Temmerman vragen om duidelijk te zijn: ofwel is men van mening dat de creationistische opvattingen, van islamitische of christelijke signatuur, een wetenschappelijk alternatief bieden, ofwel is men van mening dat ze hopeloos fout zijn. Ik denk dat het laatste het geval is en betreur dat vele jongeren in onze samenleving, inderdaad vooral binnen de islamitische cultuur, zichzelf hierdoor nog meer dreigen te marginaliseren. Wetenschappelijke geletterdheid is in de 21e eeuw onmiskenbaar een must om te slagen in tal van studies, om uiteenlopende jobs te kunnen uitoefenen en voor integratie en wederzijds begrip en samenwerking in het algemeen. Jongeren met een creationistisch wereldbeeld hypothekeren in hoge mate hun slaagkansen dienaangaande. Wanneer Temmerman een project ter bevordering van wetenschappelijke kennis en emancipatie als “arrogant” veroordeelt, bepleit hij eigenlijk obscurantisme en wetenschappelijk analfabetisme. Uit de discussie die ik in het programma ‘De zevende dag’ hierover had met de Antwerpse imam Nordine Taouil bleek zonneklaar dat de moslimgemeenschap de waarde en het belang van bepaalde aspecten van de moderne wetenschap niet hoog inschat.
In een gesprek met Radio 1-journalist Koen Fillet poogde Temmerman zijn opvattingen te verduidelijken (‘ongehoorde meningen’, 2/2/2008). Hij insinueerde daar ondermeer dat ik “gebrek aan respect” vertoon tegenover de manieren waarop “andere tradities” aan zingeving doen en betekenis aan het leven willen geven. Ik moet bekennen dat ook hier de logica van de argumentatie me ontsnapt. Zoals Koen Fillet terecht opmerkte, wil ik met dit project een aantal belangrijke wetenschappelijke opvattingen verduidelijken. Evolutietheorie, samen met andere wetenschappelijke disciplines, leert ons hoe de natuur in elkaar zit. Zingeving daarentegen is geen zaak van wetenschap (wat uiteraard niet wegneemt dat men het bedrijven van wetenschappelijk onderzoek en het verwerven van wetenschappelijke kennis als bijzonder zin- en betekenisvol kan ervaren). Waarom zou ik mensen die betekenis aan hun leven willen geven door beroep te doen op religieuze, mythologische of literaire tradities niet respecteren? Het gaat me om de pseudo-wetenschappelijke opvattingen over de natuur die men heeft, niet over ethiek en zingeving. Als iemand troost of hoop kan putten uit de lectuur van pakweg het boek Job, of Prediker, of la Divina Commedia of Hamlet, dan heb ik daar – nogal evident – geen enkele moeite mee. Maar als men beweert dat die boeken feitelijke, historische en wetenschappelijke ‘waarheden’ bevatten, dan is dat – al even evident – zeer problematisch. Johan Temmerman denkt verkeerdelijk dat ik de waarde van ‘religieuze zingeving’ in vraag stel, omdat ik een fundamentalistische interpretatie van religie betwist. Vele moderne theologen kunnen me in dat laatste nochtans volgen.
Verder had Johan Temmerman er ook moeite mee dat ik geen bioloog ben maar filosoof. Dat bleek uiteindelijk zowat zijn belangrijkste ‘argument’ te zijn, al weet ik niet zo goed waarom precies. Is het niet enigszins merkwaardig dat iemand die noch mijn persoon, noch mijn werk, noch het project in kwestie kent, zulke opinies over mij ontwikkelt? Ik kan de heer Temmerman evenwel geruststellen: ikzelf ben ‘promotor’ van dit project, zoals dat heet, omdat ik enige ervaring heb met wetenschapspopularisering en omdat, zo blijkt ironisch genoeg uit het stuk van Temmerman zelf, Darwin nu eenmaal ook reacties oproept die eerder van filosofische dan van wetenschappelijke aard zijn. Verder heeft het project ook vier co-promotoren, die allen (evolutie-)biologie doceren aan de Universiteit Gent. Het projectvoorstel is bestudeerd en goedgekeurd door een wetenschappelijke commissie, waarin ook biologen zetelden. In mijn eigen onderzoeksgroep, die uiteraard nauw betrokken wordt bij dit project, werken ook twee biologen. We hebben contacten over dit project met experts van natuurwetenschappelijke musea, met leerkrachten biologie, met wetenschapsjournalisten, enzovoort. En tot slot: het project is pas opgestart. Is het niet enigszins arrogant en onrechtvaardig om het op dergelijke wijze te bekritiseren, zonder in de verste verte te weten wat het precies inhoudt?

vrijdag 24 augustus 2007

Over kennis

Opiniestuk gepubliceerd in De Morgen 23 augustus 2007, onder de titel "Iedereen ongeletterd".
De enquête van het tijdschrift Eos over de wetenschappelijke feitenkennis van de Belg doet stof opwaaien. Als een derde van de 18- tot 34-jarigen niet weet dat de aarde rond de zon draait, moeten we dan lachen of huilen? Zeven procent van de ondervraagden antwoordt “ik weet het niet” op de vraag of de aarde rond de zon draait, wat vanuit Socratisch oogpunt misschien verstandig is – weten dat je iets niet weet is heel erg slim – maar in acht genomen dat de zogenaamde Copernicaanse revolutie ruim vierhonderd jaar geleden plaatsvond lijkt het eerder problematisch. De fundamentele vraag hierbij is evenwel: waarom? Toen dokter Watson Sherlock Holmes leerde kennen, verbijsterde hij zich over Holmes’ gebrek aan astronomische kennis. Daar stond tegenover dat hij encyclopedisch geïnformeerd was over de geschiedenis van de misdaad en het stratenplan van Londen uit zijn hoofd kende. Veel bruikbaarder informatie, als je detective bent. Maar is kennis enkel waardevol als ze praktisch bruikbaar is? Natuurlijk niet, maar het is niet bepaald eenvoudig om duidelijk te maken waarom ogenschijnlijk nutteloze kennis tóch van belang is. Misschien zelfs van het allergrootste belang. Maar over welke schijnbaar nutteloze kennis gaat het dan? Weten wat de hoofdstad van Ecuador is? De Brabançonne kunnen zingen? De stelling van Gödel begrijpen? De sonnetten kennen die Shakespeare voor The Dark Lady schreef? De meningen zijn hierover zeer verdeeld. De Britse romanschrijver én natuurwetenschapper C. P. Snow stelde reeds in 1959 in zijn beruchte essay The Two Cultures vast dat er een kloof bestaat tussen de kennis van natuurwetenschappers enerzijds, en ‘literaire intellectuelen’ anderzijds. Bijna vijftig jaar later is er wellicht nog niet zoveel veranderd. Er zijn nog veel ‘literaire intellectuelen’ die betreuren dat de meerderheid van de bevolking niet weet wat zestien juni met James Joyce te maken heeft, maar zelf geen flauw benul hebben van de betekenis van de tweede wet van de thermodynamica, of denken dat de kat van Schrödinger een huisdier was. Iedereen is ongeletterd, in meerdere domeinen.
We hoeven dan ook niet meteen te panikeren over sommige resultaten van de enquête. Iedere generatie denkt dat het met de kennis van de jeugd van tegenwoordig slecht gesteld is. Het is niet erg moeilijk om daar met enkele goed gemikte vragen ‘bewijzen’ voor te vinden. Zo stelt Eos vast dat jongeren, ook al zijn ze erg vertrouwd met de computer, weinig afweten van de technologie die er achter schuilgaat. Maar ook hier kan men zich afvragen waarom dat problematisch is. De derde wet van sciencefictionschrijver Arthur C. Clarke luidt dat geavanceerde technologie op een bepaald moment niet meer te onderscheiden is van magie. De meerderheid van dagdagelijke gebruiksvoorwerpen is voor het overgrote deel van de bevolking magisch, in die zin dat men eigenlijk niet begrijpt hoe al die dingen functioneren. Wie weet hoe televisie werkt? De magnetron? Het navigatiesysteem in de auto? De benzinemotor? We kennen er het abc niet van, maar dat belet de meesten onder ons niet om ze dagelijks vrij succesvol te gebruiken.
Een gebrek aan feitenkennis en weetjes is maar problematisch voor wie in Blokken of de Canvascrack een rol wil spelen. Veel ernstiger is dat uit de enquête ook blijkt dat de meeste mensen geen degelijke methodes hebben om betrouwbare van minder betrouwbare informatie te onderscheiden. De Amerikaanse fysicus Richard Feynman schreef ooit het volgende: “Je kan de naam van een vogel kennen, in alle talen van de wereld, zonder iets van de vogel zelf te weten. Laat ons daarom de vogel bestuderen, en kijken hoe hij leeft en wat hij doet. Dat is wat écht belangrijk is. Ik leerde al vroeg het onderscheid tussen de naam van iets kennen enerzijds en iets kennen anderzijds.” Dat laatste ‘kennen’ waarover Feynman praat, is het kennen dat ontstaat dankzij inzicht in de verschillen tussen betrouwbare en minder betrouwbare informatie. Weten hoe de wetenschappelijke methode werkt is daarvan een zeer belangrijk aspect, maar het is niet het enige. Men moet inzicht ontwikkelen in het onderscheid tussen verschillende soorten bronnen; in de psychologische mechanismen die ons vaak tot foute conclusies brengen; in de relativiteit van het belang van anecdotes en ooggetuigen; in de wijze waarop drogredeneringen ontstaan en functioneren, enzoverder. Kortom, men moet mensen aanleren wat kritisch denken betekent. Van belang is niet dat men weet hoe internet precies functioneert, maar wel dat men in staat is om in die enorme hoeveelheid informatie het kaf van het koren te scheiden. Van belang is niet dat men weet dat de telefoon in 1876 is uitgevonden, maar dat men zich realiseert dat homeopathie een pseudo-wetenschap is.
In de discussie die recent in De Morgen en De Standaard werd gevoerd omtrent de evolutietheorie, bleek er nagenoeg consensus te zijn over het standpunt dat het creationisme niet thuishoort in de lessen biologie. Dat is volkomen terecht, maar dat wil niet zeggen dat men het creationisme daarom moet doodzwijgen. Integendeel, het creationisme en andere vormen van negationisme (holocaustontkenning; complottheorieën over 9/11, enz.), evenals pseudowetenschappen zoals homeopathie en astrologie, zijn net interessant om het verschil duidelijk te maken tussen kritisch en onkritisch denken; tussen het bevrijdende van de wetenschappelijke twijfel en het dogmatische van de pseudo-zekerheid. Richard Feynman bestudeert een vogel die leeft en rondvliegt; pseudowetenschappen houden zich bezig met een dode mus.

vrijdag 20 juli 2007

Over de erkenning van alternatieve geneeskunde

Bericht in de Morgen vandaag: "Osteopaten zoeken als middenstander erkenning". Het is de zoveelste poging van de zogenaamde alternatieve geneeskunde om erkenning te krijgen alsof ze op een of andere manier tot de wetenschappelijke geneeskunde behoort. Dat is niet het geval. Het is belangrijk om even bij de gebruikte terminologie stil te staan. "Alternatieve geneeskunde" is een manier van spreken die door de "alternatieven" zelf is gelanceerd. Met succes overigens, want vrijwel iedereen nam ze over. Ten onrechte: alternatieve geneeskunde is in werkelijkheid kwakzalverij. Het gaat over middelen, therapieën en 'inzichten' die de wetenschappelijke geneeskunde niet accepteert (en de rest van de wetenschap - scheikunde, fysica, biologie... - doet dat overigens ook niet). Niet omdat de wetenschappelijke geneeskunde dogmatisch is of haar eigen winkel wil verdedigen (hoewel dat bij individuele mensen, sommige artsen bijvoorbeeld, kan meespelen), maar omdat die middelen etc. niet door de filter van wetenschappelijk onderzoek geraken. Een normaal medicijn wordt grondig getest, op een manier die verantwoord is vanuit methodologisch oogpunt (dubbel blind, statistisch in orde, dierproeven, enz.). Een 'alternatief' middel wordt zomaar op de markt gebracht, soms zelfs met als argument dat het niet vatbaar is voor wetenschappelijke analyse! Dat is uiteraard onzin; als iets echt werkt, dan kan men ook objectief vaststellen dat het werkt. Overigens zouden de alternatieven maar wat graag hebben dat wetenschappelijke studies aantonen dat hun middelen wel degelijk een aantoonbaar effect hebben. Mocht er een overtuigende studie bestaan die aantoont dat, bijvoorbeeld, de zogenaamde homeopathie werkt, dan zou men daar natuurlijk mee uitpakken. Maar net omdat dergelijke studies niet bestaan, gooit men het meestal op het "wij zijn niet wetenschappelijk testbaar"-argument. Daarom is het nonsens om over "alternatieve geneeskunde" te spreken, net zoals het nonsens zou zijn om over "alternatieve scheikunde" (de leer van de vier elementen?), of "alternatieve biologie" (het boek Genesis?), of "alternatieve geschiedenis" (het negationisme?), enzovoort te praten. Er is alleen maar geneeskunde (middelen, therapieën, ...) die experimenteel is onderzocht, en 'geneeskunde' die nog niet (voldoende) is onderzocht. Daarnaast heb je 'middelen', 'therapieën', enz. die wél zijn onderzocht, maar door de mand zijn gevallen. Daar hoort bijvoorbeeld de homeopathie bij: keer op keer is aangetoond dat homeopatie niet werkt. Wie de 'principes' kent waarop ze is gebaseerd (similia-regel, verdunning, schudden...) is daar niet over verwonderd; die 'principes' hebben ongeveer evenveel status binnen de scheikunde als de ooievaarstheorie binnen de reproductieve geneeskunde.
Keer op keer brengt men tegen dit alles in: "alsof het in de allopathische geneeskunde allemaal zo goed werkt". Daarover het volgende: (a) Ook de term "allopathisch" is onzin; het is een term uitgevonden door de aanhangers van de "homeopathie". In het ene geval zou men iets bestrijden met het "gelijke", in het ander geval met het "tegengestelde". Dat is helemaal geen inzicht of principe waarop de wetenschappelijke geneeskunde zich baseert. Die redeneert immers vanuit aantoonbare causale relaties, niet vanuit een vaag 'principe' van tegengestelden die elkaar moeten tegenwerken. (b) Het is evident waar dat de wetenschappelijke geneeskunde niet alles kan oplossen, dat er fouten en vergissingen gebeuren, dat mensen zich soms 'mismeesterd' voelen, of te veel als nummer worden beschouwd en niet als menselijk individu, dat men ernstige vragen kan stellen bij de wijze waarop de farmaceutische industrie werkt, enzovoort enzoverder. Maar dit alles betekent niet dat daarom de niet-wetenschappelijke geneeskunde op een of andere manier beter is. Het enige geldige criterium is de filter van wetenschappelijk onderzoek. Over alle problemen binnen de wetenschappelijke geneeskunde valt erg veel te zeggen, maar ze houden geen verband met de vraag of 'alternatieve' geneeskunde werkt of niet werkt.
Nog een klassieker: "maar ik weet dat het werkt, want ik heb het zelf ervaren". Artsen die zweren bij niet-wetenschappelijke methodes (een bizarre aanfluiting van een jarenlange medische studie) brengen de variant naar voren dat "ze het toch wel waarnemen bij hun patiënten zeker?" Bovendien - een argument dat sterk speelt bij het brede publiek - leggen ze ook hun diploma, opleiding en expertise in de schaal. Maar of men nu drie jaar of dertig jaar geneeskunde studeerde speelt geen enkele rol in de beoordeling van een middel of therapie. Hetzelfde geldt voor de anecdotiek van "persoonlijk ervaren of waargenomen". Het is niet omdat ik een homeopatisch middeltje neem en me een paar dagen later beter voel, dat er een relevant causaal verband bestaat tussen het middeltje en mijn genezing. Misschien was ik ook zonder dat 'middeltje' wel genezen. Of misschien was ik niet eens echt ziek. Of misschien ben ik wel genezen door iets anders dat ik in die periode slikte. De psychologie heeft zeer overtuigend aangetoond dat mensen zich over wat ze "toch wel zelf hebben meegemaakt" (gezien, gevoeld, gehoord,...) dramatisch kunnen vergissen.
Wat nu de osteopatie betreft: ik zou nog maar wat wachten met een erkenning. Niet alleen omdat ook de osteopatie nog niet bepaald een indrukwekkend aantal studies van werkzaamheid kan voorleggen, maar bovendien omdat een erkenning als middenstander de deur openzet voor een hele reeks analoge aanvragen, van de homeopaten tot de handlopleggers.
Wie er meer wil over weten kan terecht bij SKEPP, bij de Nederlandse Vereniging tegen Kwakzalverij, of bij het Britse Quackwatch. Altijd lezenswaardig zijn ook de lemma's - er is er ook eentje over osteopatie - op www.skepdic.com.

donderdag 5 juli 2007

over pseudo-wetenschap en gerechtelijk onderzoek

Hieronder een e-mail die ik naar Humo-journalisten Hilde Geens & Raf Sauviller stuurde, n.a.v. hun interview met commissaris Eddy Vos, verantwoordelijk voor het onderzoek naar de bende van Nijvel. Voor wie in de jaren tachtig van de vorige eeuw jong of ongeboren was: de zogenaamde bende van Nijvel pleegde in de eerste helft van de jaren tachtig verschillende overvallen, diefstallen en inbraken, waarbij 28 doden vielen en meer dan twintig gewonden. Tot op heden is niemand ondubbelzinnig als dader of opdrachtgever geïdentificeerd. De enorme brutaliteit waarmee de bende te werk ging enerzijds en het falen van het onderzoek anderzijds gaf en geeft aanleiding tot wilde speculaties, de een al minder waarschijnlijk dan de ander (vgl. met de Dutroux-affaire).

beste H.G. & R.S.,

"Graag maak ik enkele opmerkingen bij het interview met commissaris Eddy Vos. (Humo, 3487, 3 juli 2007) Op pagina 152 zegt meneer Vos: "...grafologisch onderzoek heeft aangetoond...". Ik veronderstel dat hij met "grafologisch" in feite een analyse van het handschrift bedoelt. De grafologie is een pseudo-wetenschap, die meent dat men karaktertrekken en de persoonlijkheidskenmerken van mensen uit hun handschrift kan afleiden. Onderzoek toonde ondertussen ruim afdoende aan dat dit niet klopt. Een analyse van het handschrift daarentegen kan betrouwbare kennis opleveren over de authenticiteit van een document. Er wordt vaak beroep gedaan op handschriftdeskundigen door, bijvoorbeeld, veilingen, wanneer historische brieven e.d. te koop worden aangeboden. Grafologie daarentegen is niet alleen iets helemaal anders, het is ook een volstrekt waardeloze 'techniek'.
Nu hoop ik in elk geval dat de heer Vos het in feite over een wetenschappelijke analyse van het handschrift heeft, en niet over 'echte' grafologie. Het zou interessant zijn om dat na te gaan, in acht genomen dat er in het onderzoek naar de bende van Nijvel toch meer pseudowetenschappelijke technieken zijn toegepast. Ik denk onder meer aan de verhoring van de getuigen onder hypnose, waar de heer Vos ook naar verwijst. Hypnose is op zich al wetenschappelijk omstreden; de techniek gebruiken om robotfoto's te maken gebaseerd op waarnemingen van twintig jaar geleden slaat werkelijk nergens op. Een beetje kennis van waarnemingspsychologie en van de werking van het geheugen, nog los van het dubieuze karakter van hypnose, maakt dat overduidelijk. De heer Vos zegt in dat verband: "Men moet openstaan voor nieuwe methodes: dan zie je wel of het iets oplevert". Die houding kan er uiteraard toe leiden dat men ingaat op iedere vorm van onzin, denk bijvoorbeeld aan de zogenaamde 'psychics' of 'helderzienden' die bij iedere verdwijning aan de politie hun 'diensten' aanbieden. Het gevolg is steevast verspilling van tijd en middelen, terwijl ondertussen betere sporen niet gevolgd worden. Dit nog: ook de zogenaamde 'profiling' techniek waarover sprake is (pag. 150 en 151), is momenteel wetenschappelijk nog niet bepaald geaccepteerd."

vrijdag 29 juni 2007

Over de beoordeling van onderzoek

Het kan allicht geen kwaad om het in het allereerste bericht op mijn blog over een ernstige kwestie te hebben. De minister van onderwijs, Frank Vandenbroucke, wil dat de kwaliteit van de zogenaamde humane wetenschappen, ook vaak menswetenschappen of geesteswetenschappen genoemd, in de nabije toekomst op een meer kwantitatieve manier wordt beoordeeld. In de zogenaamde exacte wetenschappen is dit reeds lang realiteit. Er is een heel systeem uitgewerkt waarbij men het belang en de invloed van de tijdschriften waarin men publiceert kan meten. Een tijdschrift dat 'zwaar doorweegt' kent een internationale verspreiding en wordt door de meeste experts van het vakgebied waarover het tijdschrift onderzoeksresultaten (van empirische of analytische aard) publiceert, gelezen. Bijgevolg citeert men vaak artikelen uit zo'n tijdschrift, wat een meetbare maatstaf biedt om de impact van het tijdschrift, en van de artikelen, vast te stellen. (Men spreekt over de 'impactfactor'.) Bovendien worden de artikelen die men naar zo'n tijdschrift opstuurt in de regel anoniem gelezen door experts. Dat gaat in principe als volgt: een onderzoeker stuurt een artikel op naar een tijdschrift. De hoofdredacteur van het tijdschrift stelt vast waarover het artikel gaat, en stuurt het door naar een bepaald aantal deskundigen. Die deskundigen zien evenwel enkel het artikel, niet de naam van de auteur. Vervolgens brengen ze advies uit over het artikel: is het goed genoeg om te worden opgenomen in het tijdschrift? Bevat het nieuwe resultaten en inzichten? Is het onderzoek methodologisch goed uitgevoerd?, enzoverder. De hoofdredacteur brengt de auteur op de hoogte van de opinie van de experts, zonder deze laatsten hun namen bekend te maken. In vele gevallen worden artikelen meteen afgewezen, zonder dat men het advies krijgt om het te herwerken en opnieuw in te dienen, bij hetzelfde tijdschrift. De auteur kan dan ofwel de moed laten zakken en op zoek gaan naar een andere carrière of onderzoeksinteresse, of hij kan het artikel zeer grondig herwerken en toch opnieuw indienen. Maar veelal wordt na een weigering het artikel, eventueel na wijzigingen aan te brengen op basis van het leesrapport van de deskundigen die het artikel afwezen, opgestuurd naar een tijdschrift met een lagere impactfactor. In de regel geldt immers: hoe hoger de impactfactor van een tijdschrift, hoe moeilijker om er in te publiceren; hoe lager de impactfactor, hoe makkelijker. In het algemeen werkt dit systeem vrij goed. Kenners kunnen bij wijze van spreken in één oogopslag uit de publicatielijst van een onderzoeker afleiden hoe bekwaam en productief hij of zij is. Het is dan ook niet verwonderlijk dat men op politiek niveau ervoor gekozen heeft om de financiering van het onderzoek te koppelen aan deze objectief-kwantitatieve benadering. Hiermee is vanzelfsprekend niet gezegd dat het systeem volmaakt is. Uiteraard kunnen vele dingen fout gaan. Onderzoekers kunnen fraude plegen; artikelen kunnen niet anoniem gelezen worden; een artikel kan vaak geciteerd worden, niet omdat het goed is, maar omdat het een blunder bevat, enzovoort. Maar vóór men de kwantitatieve parameters invoerde, kon dat ook allemaal en zorgde de subjectieve inschatting van de kwaliteit van onderzoek, artikelen en tijdschriften, voortdurend voor frustratie en discussie. Kortom, ondanks de nadelen, biedt het systeem ook vele voordelen. Het is dan ook niet onlogisch dat men de kwantitatieve aanpak ook naar de cultuur- en gedragswetenschappen (een meer correcte benaming dan de 'humane' of 'geestes'-wetenschappen) wil uitbreiden. Nu komt dit niet bepaald uit de lucht gevallen. Reeds in de eerste helft van de jaren negentig van de vorige eeuw was ik betrokken bij een onderzoek hierover, op verzoek van de Vlaamse Raad voor Wetenschapsbeleid (VRWB). Het rapport van ons onderzoek (Wetenschap als Cultuur, 1994) behandelt vrij uitvoerig de discussie over de specificiteit en het 'eigen karakter' van de cultuur- en gedragwetenschappen. Ook toen al merkte men op dat men de kwaliteit van het onderzoek in de cultuur- en gedragwetenschappen niet op dezelfde manier kan meten als die van het onderzoek in de natuur- en toegepaste wetenschappen (een meer correcte benaming dan de 'exacte' of 'positieve' wetenschappen). De opiniestukken en brieven in de kranten van de laatste dagen over de hele kwestie herhalen in essentie dezelfde argumenten. Het lijkt alsof we in pakweg vijftien jaar geen meter opgeschoven zijn. De realiteit is echter anders. Ook in de cultuur- en gedragwetenschappen, zij het zeker niet in alle disciplines, heeft de 'A1-cultuur' volgelingen. Onder 'A1-cultuur' versta ik de druk om in internationale tijdschriften met een hoge impactfactor (de zogenaamde A1-tijdschriften) te publiceren, met alles wat daarbij hoort, goeie en minder goeie aspecten: grotere publicatie-competitie tussen onderzoekers; veel meer nadruk op het belang van internationale weerklank; de relevantie van te worden geciteerd; het kleinere belang van publicaties in boekvorm; het vrijwel onbestaande belang van publicaties in het Nederlands, enz. Of men dit nu wil of niet, de invloed van de A1-cultuur in de cultuur-en gedragswetenschappen neemt toe. Hij neemt zelfs sterk toe: in mijn eigen vakgebied bijvoorbeeld, de wijsbegeerte, bestaan vrijwel alle afgelegde doctoraten de laatste jaren uit een bundeling van artikelen die ofwel reeds zijn gepubliceerd, ofwel - wat als evenwaardig wordt beschouwd - "accepted" zijn, ofwel "under review" zijn. Een 'klassiek' doctoraat, dat wil zeggen een Nederlandstalig, doorwrocht boek van enkele honderden pagina's, betekent stilaan academische zelfdoding. Na het behalen van de doctorstitel moet men immers kandideren voor een volgende job ("een postdoc"). Als men daarbij geen publicatielijst kan voorleggen waarop minstens enkele artikelen voorkomen, gepubliceerd in internationale tijdschriften, is de kans op de job een stuk kleiner. (En vanzelfsprekend zijn dergelijke publicaties absoluut geen garantie op het wél bekomen van een job; andere factoren spelen ook een rol.) In mijn ervaring is deze evolutie over het algemeen niet slecht. Maar dat betekent niet dat het wenselijk is dat het beoordelingssysteem zoals gangbaar in de natuur- en toegepaste wetenschappen zo snel mogelijk en onveranderd ook wordt ingevoerd in de cultuur- en gedragswetenschappen. Uiteraard zijn er verschillen tussen de twee culturen waar men rekening moet mee houden(betreurenswaardige, waarop Snow al lang geleden wees, maar ook verschillen die eigen zijn aan de respectievelijke onderzoeksdomeinen). Zo bijvoorbeeld zou het erg jammer zijn mocht de cultuur- en gedragswetenschappelijke traditie om onderzoek in boekvorm te presenteren, vaak na vele jaren van intens lezen en schrijven, verloren gaan. Nu reeds kan men vaststellen bij onderzoekers jonger dan dertig dat ze niet van plan zijn om een boek te publiceren. Waarom zouden ze ook? Enkele korte artikelen, gepubliceerd in A1 tijdschriften, zijn vanuit het perspectief van loopbaanplanning veel belangrijker dan een boek. Toch hoeft dit niet te betekenen dat een kwantitatieve benadering hierdoor nooit geschikt kan zijn voor de cultuur- en gedragwetenschappen. Zo kan men relatief makkelijk een lijst maken van uitgeverijen (zo'n lijst is overigens al geruime tijd 'in de maak') die, net zoals de A1 tijdschriften, aan zogenaamde anonieme 'peer review' doen. Men biedt een manuscript aan bij een uitgever, die het vervolgens anoniem laat lezen door enkele experts, die zelf ook weer een anoniem rapport opstellen. Een boek gepubliceerd bij een uitgeverij die hoge kwaliteitseisen stelt en de manuscripten door experts laat beoordelen kan dan evenveel 'wegen' als bijvoorbeeld drie A1-artikelen, of vijf A2 artikelen, enzovoort. Een dergelijk systeem uitwerken, bruikbaar in de cultuur- en gedragswetenschappen, is evident geen sinecure, verre van. Maar het is ook niet onmogelijk en kan op termijn de kwaliteit en het belang van het cultuur- en gedragswetenschappelijke onderzoek doen toenemen.
Tenslotte nog deze bedenking. Men voert veel goeie argumenten aan om verzet aan te tekenen tegen de oprukkende A1-cultuur in de cultuur- en gedragswetenschappen, maar ook veel minder goeie. Zo bijvoorbeeld leest en hoort men vaak dat sommige invloedrijke academische intellectuelen vandaag de dag nooit benoemd zouden kunnen worden, in acht genomen de geringe lengte of 'zwaarte' van hun publicatielijst ten tijde van hun benoeming aan de universiteit. Naar analogie wordt in sportkringen vaak opgemerkt dat Björn Borg heden te dage na enkele minuten van het tennisveld gemept zou worden, of dat een kampioen hardlopen van enkele generaties terug minuten achterstand zou hebben, enzovoort. Maar de vergelijking gaat uiteraard niet op. Een nederlandstalig onderzoeker in de jaren zestig, zeventig of tachtig zag zich, in elk geval wat betreft de cultuur- en gedragswetenschappen, niet geroepen om in het Engels te schrijven en zijn teksten aan te bieden aan internationale toptijdschriften. Waarom zou hij ook? Maar iemand die toen goed was, op basis van de toen geldende criteria, zou dat nu wellicht ook zijn, op basis van de criteria die nu gelden. Ik ken heel wat academici die de voorbije decennia zeer belangrijk werk leverden en veel invloed hadden en nog hebben. En inderdaad, ze zijn benoemd geraakt op basis van een publicatielijst die nu tekort zou schieten. Maar hadden diezelfde mensen toentertijd moeten werken onder andere criteria, dan had hun publicatielijst er wellicht ook anders uitgezien. Maar belangrijker is iets wat veel minder vaak wordt opgemerkt: er zijn ook academici die hun hele loopbaan geen interessant werk afleveren, en geen of weinig invloed hebben. Had men toentertijd andere criteria gehad, dan waren deze mensen nooit benoemd geraakt. En dat ware positief geweest.